WANDELVERSLAG

Themawandeling  “Overwinteren in Bourgoyen” van 16 maart 2012

Leiding: François Van den Broeck

Aan het Stedelijk Natuur- en Milieucentrum Bourgoyen, tevens een passief complex, gaven op een zonnige namiddag 27 wandelaars present voor het spotten van overwinteraars. Onder hen mochten we er niet minder dan vier voor de eerste maal verwelkomen, dat waren: Guido en Linda, Laurent en Lutgart.
François, de natuurgids, had verrekijker, statief en telescoop bij zodat iedereen, ook wie geen verrekijker meegebracht had, met de nodige toelichtingen ook de gelegenheid kreeg om de watervogels van nabij te observeren.
Mij werd gevraagd een inventaris bij te houden. Hij zou de gespotte vogels telkens bij naam afroepen, voor een leek in het vak een welgekomen hulpmiddel.
Gezien in het najaar de stuwtjes dicht gaan, loopt ’s winters een deel van de Bourgoyen onder water. Dit drassig, bijna ontoegankelijk gebied, is dan zeer aantrekkelijk voor water- en waadvogels. Bij onze wandeling was het gebied nog niet ontwaterd. De eerste aanblik was dan ook één uitgestrekte watermassa.
En nu op stap via het Bourgoyenpad naar de eerste kijkhut in dit 220 ha groot natuurgebied.
Tussen de verschillende waadvogels draaiden nog enkele smienten hun laatste rondjes vóór hun doortrek naar het noorden. Ook de eerste grutto’s, reeds neergestreken uit het zuiden, trokken onze aandacht.
Terug op stap trok een in bloei staande sleedoorn de aandacht van de groep. Snel ontspon er zich een gesprek rond het maken van sleedoornjenever. François maakte van de gelegenheid gebruik om hier ook een toelichting bij te geven. De rauwe vrucht is zeer wrang, moet verzameld worden na de eerste vorst, maar is barstensvol vitaminen en dus zeer geneeskrachtig. Iemand gaf de tip mee de vruchten te plukken en een tijd in de diepvries te stoppen vóór het maken van de drank.
Gaandeweg kregen we uitleg over het groot hoefblad en werd er stilgestaan bij een berk. Het afgetapte berkensap is als drank zeer heilzaam voor de reiniging van het lichaam. Het aftappen gebeurt van zodra de toppen van de twijgen paars worden.
In een met knotwilgen afgeboord weiland, rechts van de wandelweg, trok het trompetachtig ‘ahoing’ van een troep Canadese ganzen de aandacht.
Links hadden we zicht op het Valkenhuis, gebouwd op een zandige hoogte (donk) en centraal gelegen in het gebied. Het Valkenhuis is een oud jachthuis van de graven, of vazallen, van Boergondië. Het is niet met zekerheid te zeggen dat de graven er zelf aanwezig waren.
Bij een haakse bocht naar links, ter hoogte van de R4-binnenring, is er een hekken dat toegang geeft tot de verblijfplaats van een kolonie watervleermuizen. Vleermuizen eten ’s nachts tot de helft van hun lichaamsgewicht op aan insecten. Dit betekent tot 300 muggen, motjes en kevers.
Hier heb ik op de berm de enige viervoeters van de namiddag gezien. Twee schapen knabbelden er gezapig aan het malse groen.
François zette een paar maal het statief op, zodat we voluit konden genieten van een prachtig schouwspel van een allegaartje zwemvogels, met in de verte een zicht op de aalscholverplas, van hieruit met het blote oog gezien, zich beperkend tot witte bomen met takken vol met zwarte stippen.

En nu maar verder inventariseren:

  • de fuut, met zijn opvallende zwarte, tweedelige kuif, werd snel herkend.
  • onder de ganzen en eenden werden, buiten de smienten, ook de watertaling, de pijlstaart, de kuifeend, de slobeend, de grauwe gans en de brandgans waargenomen.
  • bij de rallen waren het de waterhoen en de meerkoet die present gaven.
  • Onder de waadvogels bemerkten we, buiten de grutto, ook nog de scholekster en de kievit.

Een link van de kievit naar het verhaal over de paashaas was snel gelegd. Tijdens de paasperiode komen er ook heel wat trekvogels terug uit het zuiden, op zoek naar nestgelegenheid. Sommige zoeken een nestplaats, een ondiep kuiltje op een akker of in een weide. Dat zijn de weidevogels: de kievit, de grutto, de scholekster, de tureluur, enz. Maar ook het leger van de haas is een ondiep kuiltje in de bodem. Regelmatig gebruiken de weidevogels een hazenleger om hun eitjes in te leggen. Mensen die op zoek gingen om een haas te vangen vonden dus eieren in zijn ‘nest’. Het verhaal van de eierleggende haas, de paashaas, was geboren.
Op weg naar de tweede kijkhut kregen we nog uitleg over het klein hoefblad dat als thee een afdoende remedie is tegen hoest en slijmen.
Bij het naderen van de kijkhut werd even stilte gevraagd. We waren nu op een boogscheut van de kolonie aalscholvers die met tientallen zaten te rusten op de boomtakken, enkele ook in hun nest of met uitgespreide vleugels te drogen in de zon; hun veren zijn immers niet waterafstotend.
Vanaf hier liepen we op een kronkelend paadje tussen de bomen langsheen de Leie om, via een doorsteek, de startplaats opnieuw te bereiken.
Geen enkele vogel was aan de blik van François ontgaan. Buiten de houtduif en de Turkse tortel noteerde ik nog onder de zangvogels en de  kraaiachtigen: de merel, de ekster, de zwarte kraai, het winterkoninkje, het roodborstje, de tjif-tjaf, het pimpelmeesje en de koolmees.

Met dank aan François voor deze leerrijke en boeiende namiddag werd deze wandeling  afgesloten, genietend van een (bio)drankje in de cafetaria of op het aanpalende zonovergoten terras.

                                                                                                                                        Verslag: Theo Vierendeels

P.S. François stuurde enkele kruiden/vruchtenrecepten na.
Zij kunnen bij de wandelcoördinator, Daniël Van Renterghem, worden opgevraagd.


 

 

 

©copyright 2008 daniel.verbeke | gastenboek | feedback